Voor 1912 bestond er als handvorm alleen de snelle vorm. Na 1912 kwamen er veel mensen naar Beijing om tàijì te leren. Enkele van hen waren oud of hadden weinig ervaring met de vechtkunst. Met het oog op deze mensen werden uit de snelle vorm de sprongen verwijderd en de bewegingen vereenvoudigd, maar ook nauwkeuriger gemaakt. Het tempo werd in overeenstemming met de Yin Yang theorie vertraagd. Dit leidde tot de geboorte van de Wu stijl met een lange vorm waarin de speciale karakteristieken van de Wu stijl nog benadrukt werden. Ongeveer in dezelfde tijd stichtte ook Yang Chengfu en Sun Lutang hun eigen stijl met elk een eigen langzame vorm. De Wu stijl behield de oorspronkelijke snelle vorm, die in opbouw en volgorde van de bewegingen van de lange (langzame) vorm tot op heden vergelijkbaar is. Het is echter van groot belang om eerst de langzame vorm te leren, omdat men anders gemakkelijk in de hardheid van de externe vechtkunst kan afglijden.

Door de vorm leer je jezelf kennen, door Tui Shou leer je de ander kennen

de sabel bevordert de kracht, het zwaard de vitaliteit

en de lans de wijsheid.

De langzame vorm van de Wu stijl is van oorsprong zeer compact, natuurlijk, ontspannen, langzaam en ononderbroken, levendig, vloeiend, zacht en evenwichtig. De wapenvormen ondersteunen deze kwaliteiten, maar worden in de regel sneller uitgevoerd. In alle vormen moeten beginners eerst de verschillende posities en bewegingen leren. Daarbij moeten de bewegingen soepel blijven en de adem natuurlijk zijn. De adem moet een bepaalde diepte en breedte hebben, waardoor het hele lichaam zich ermee kan vullen en daardoor goed verzorgd is. Daarbij is het belangrijk dat de lichaamshouding voldoet aan de principes van de tàijì, dat wil zeggen het hoofd opgericht, een rechte rug, schouders laten zakken en ellebogen naar beneden laten hangen en ook het bekken ontspannen.

“In elke beweging zal het gehele lichaam licht en beweeglijk zijn

alsof al zijn delen aan een draad zijn opgehangen.”

Aan de buitenkant ziet men een rustige aan elkaar gekoppelde reeks van meestal langzame en gracieus uitziende bewegingen. Dat is wat men bij tàijì de vorm noemt. Een vorm bestaat uit een aantal houdingen die onderling met elkaar in verband staan, zodat er een doorgaande reeks bewegingen ontstaat.

Men kan dit vergelijken met een landkaart. 

De wegen staan voor de onderling verbonden bewegingen en de plaatsen waar men doorheen komt zijn de houdingen of standen.

De standen dragen de naam van de daarmee corresponderende techniek zoals stoten en afweren of schilderachtige namen als

“Gouden haan staat op een been”, ”wolkenhanden”, “speel de luit” of de “witte kraanvogel spreidt zijn vleugels” enzovoort.

Deze namen bevatten geen verborgen betekenis maar hebben meer een praktische waarde als onderscheid tussen de houdingen.

De betekenis van het woord Yi (geest) die in de klassieken voorkomt, wordt in de Wu stijl samengevat door de vijf volgende principes. Jing (stil), Qing (lichtheid), Man (langzaam), Qie (plichtsgetrouw) en Heng (uithoudingsvermogen), deze principes zijn nauw met elkaar verbonden, complementeren elkaar en kunnen niet zonder elkaar. 1. De geest moet ontspannen en de ademhaling kalm en gelijkmatig zijn. 2. De bewegingen van de vorm moeten langzaam, natuurlijk en ook heel precies uitgevoerd worden. 3. De bewegingen moeten doorleefd (wakker) en vloeiend zijn. Ze moeten elkaar opvolgen zonder onderbreking, of je nu voor of  achterwaarts beweegt of draait. 4. Enkel met een correcte houding van het lichaam kunnen de bewegingen en de ademhaling in harmonie komen. Gedurende elke beweging moet het staartbeen, de wervelkolom, de nek en het hoofd in een lijn zijn. Deze lijn mag zowel zij- voor- of achterwaarts geen enkele kromming vertonen. 5. De ogen zijn naar voren gericht op zo'n 15 m afstand of naar de handen gericht. Alleen als de ogen gericht zijn kan het evenwicht gecentreerd blijven.

Lange vorm

De lange vorm is de basis van de Wu stijl Tai Ji Quan. De bewegingen

      worden langzaam, in een gelijkmatig tempo uitgevoerd.

Het doorlopen van de vorm duurt 25 tot 35 minuten.

De lange vorm is zeer compact, natuurlijk, ontspannen, langzaam, levendig, ononderbroken, vloeiend en evenwichtig. De bewegingen moeten zonder onderbrekingen in elkaar overgaan, ongeacht of men zich voorwaarts of achterwaarts beweegt. Bij het uitvoeren van de bewegingen word slechts zoveel kracht gebruikt als nodig is. Spanning in bijvoorbeeld de schouders moet worden vermeden.  De ademhaling is natuurlijk, niet bewust gestuurd. In eerste instantie lijken de bewegingen van tàijì vrij simpel, de moeilijkheid zit hem in de precisie van die bewegingen. De handen en voeten moeten exact goed staan en samen met de lichaamshouding voldoen aan de principes van tàijì, zo kunnen de ademhaling en de bewegingen met elkaar harmoniëren. De blik moet op een vast punt gericht zijn, dat is nodig om alle energie goed door het lichaam te laten stromen. Er mogen geen blokkades zijn, bijvoorbeeld doordat een gewricht is gedraaid of omdat er te veel druk staat op een bepaald lichaamsdeel. Het vinden van die juiste balans vergt veel concentratie en bovendien coördinatie. Doordat u tijdens tàijì allerlei bewegingen in een vaste volgorde maakt, traint u uw souplesse en balans. Door de concentratie op de bewegingen raakt het hoofd leeg, waardoor u zich na een uurtje tàijì ontspannen en energiek voelt.

Di Yi Jie

01. Yù bèi shi. 02. Tài jí qǐ shì. 03. Lǎn què wěi. 04. Dān biān. 05. Tí Shǒu shàng shì. 06. Bái hè liàng chi. 07. Lóu xī ào bù. 08. Shǒu huī pí pa. 09. Jìn bù bān lán chuí. 10. Rú fēng sì bì. 11. Bào hǔ tuī shān. 12. Shí zí shǒu. 13. Xié lóu xī ào bù. 14. Fān shēn xié lóu xī ào bù. 15. Lǎn què wěi. 16. Xié dān biān.

Di Er Jie

17. Zhǒu dǐ kàn chuí. 18. Dào niǎn hóu. 19. Xié fēi shì. 20. Tíe shǒu shàng shì. 21. Bài hè liàng chì. 22. Lóu xī ào bù. 23. Hǎi di zhēn. 24. Shàn tōng bèi. 25. Piē shēn chuí. 26. Xie bù bàn làn chuí. 27. Shàng bù lǎn què wěi. 28. Dān biān. 29. Yún shǒu. 30. Dān biān.

Di San Jie

31. Zuǒ gāo tàn mǎ. 32. Yùo fēn jiǎo. 33. Yòu gāo tàn mǎ. 34. Zuǒ fēn jiǎo. 35. Zhuǎn shēn dēng jiǎo. 36. Lóu xī ào bù. 37. Jìn bù zāi chuí. 38. Fān shēn piē shēn chuí. 39. Shàng bù (zuǒ) gāo tàn mǎ. 40. Yùo fēn jiǎo. 41. Tuì bù dǎ hǔ. 42. Pī shēn jiǎo. 43. Shuāng fēng guàn ěr. 44. Yi qǐ jiǎo. 45. Fān shēn èr qiǎo. 46. (Yòu) gāo tàn mǎ. 47. Shàng bù bān lán chuí. 48. Rú fēng sì bì. 49. bào hǔ tuī shān. 50. Shï zi shǒu. 51. Xié lóu xī ào bù. 52. Fān shēn xié lóu xī ào bù. 53. Lǎn què wěi. 54. Xié Dān biān.

Di Si Jie

55. Yié mǎ fēn zōng. 56. Shí zi yié mǎ fēn zōng. 57. Shàng bù zuǒ yù nǚ chuān suō. 58. Zhuǎn shēn yòu yù nǚ chuān suō. 59. Shí zi yié mǎ fēn zōng. 60. Shàng bù zuǒ yù nǚ chuān suō. 61. Zhuǎn shēn yòu yù nǚ chuān suō. 62. Lǎn què wěi. 63. Dān biān. 64. Yún shǒu. 65. Dān biān.

dì wǔ jié

66. xià shì. 67. zuǒ yòu jīn jī dú lì. 68. dào niǎn hóu. 69. xié fēi shì. 70. tí shǒu shàng shì. 71. bái hè liàng chì. 72. lóu xī ào bù. 73. hǎi dǐ zhēn. 74. shàn tōng bèi. 75. piē shēn chuí. 76. shàng bù bān lán chuí. 77. shàng shì lǎn què wěi. 78. dān biān. 79. yún shǒu. 80. dān biān.

dì lìu jié

81. zuǒ gāo tàn mǎ. 82. yíng miàn zhǎng. 83. shí zi bǎi lián. 84. lóu xī ào bù. 85. jìn bù zhǐ dāng chuí. 86. shàng bù lǎn què wěi. 87. dān biān. 88. xià shì. 89. shàng bù qī xīng. 90. tuì bù kuà hǔ. 91. zhuǎn shēn pū miàn zhǎng. 92. fān shēn shuāng bǎi lián. 93. wān gōng shè hǔ. 94. zuǒ gāo tàn mǎ. 95. yíng miàn zhǎng. 96 fān shēn piē shēn chuí. 97. shàng bù zuǒ gāo tàn mǎ. 98. jìn bù lǎn què wěi. 99. dān biān. 100. hé tài jí.

Deel 1

01. Voorbereiding. 02. Taiji-startbeweging. 03. De omtrek van de mussenstaart tekenen. 04. Enkele zweep. 05. De hand optillen en naar voren. 06. De kraanvogel laat zijn vleugels glanzen. 07. De knie strijken. 08. De handen spelen op de luit. 09. Naar voren en een rechte vuiststoot. 10. Alsof men zich verstopt. 11. Luipaard en tijger verschuiven de berg. 12. Kruis de handen. 13. De knie strijken (richting 45º). 14. Omdraaien en de knie strijken (richting 45º). 15. De omtrek van de mussenstaart tekenen. 16. Enkele zweep (richting 45º).

Deel 2

17. Verstopte en zichtbare vuist. 18. Bij het teruggaan de aap wegduwen. 19. Voor het optillen. 20. De hand optillen en naar voren. 21. De kraanvogel laat zijn vleugels glanzen. 22. De knie strijken. 23. De naald in de zeebodem steken. 24. De handen en rug waaiervormig. 25. Verborgen vuistslag. 26. Terug en een rechte vuistslag. 27. Naar voren met “mussenstaart’’. 28. Enkele zweep. 29. Wolkenhanden. 30. Enkele zweep.

Deel 3

31. Van boven verkennen (links). 32. Voettrap met rechts. 33. Van boven verkennen (rechts). 34. Voettrap met links. 35. Draaiing en trap met de hak. 36. De knie strijken. 37. Stap naar voren en hamerslag. 38. Omdraaien en verborgen vuistslag. 39. Naar voren en van boven verkennen (links). 40. Voettrap met rechts. 41. Stap terug en versla de tijger 42. Draaitrap. 43. Met de knokkels van de vuist de oren treffen. 44. 2 trappen: eerste trap. 45. Tweede trap. 46. Van boven verkennen. 47. Stap naar voren en een rechte vuiststoot. 48. Alsof men zich verstopt. 49. Luipaard en tijger verschuiven de berg. 50. Kruis de handen. 51. De knie strijken (richting 45º). 52. Omdraaien en de knie strijken (richting 45º). 53. De omtrek van de mussenstaart tekenen. 54. Enkele zweep (richting 45º).

Deel 4

55. Het wilde paard schudt zijn manen (3 keer). 56. Het wilde paard schudt zijn manen (zijwaarts). 57. Stap naar voren, de mooie dame weeft met de schietspoel (links). 58. Omdraaien,de mooie dame weeft met de schietspoel (rechts). 59. Het wilde paard schudt zijn manen (zijwaarts). 60. Stap naar voren, de mooie dame weeft met de schietspoel (links). 61. Omdraaien de mooie dame weeft met de schietspoel (rechts). 62. De omtrek van de mussenstaart tekenen. 63. Enkele zweep. 64. Wolkenhanden. 65. Enkele zweep.

Deel 5

66. Lage houding. 67. De gouden haan staat op één been (links en rechts). 68. Bij het teruggaan de apen verjagen. 69. Schuin vliegen. 70. Til de hand op en naar voren. 71. De kraanvogel laat de vleugels glanzen. 72. Strijk langs de knie. 73. Naald in de zeebodem steken. 74. Handen en rug als een waaier. 75. Verborgen vuistslag. 76. Naar voren en rechte vuiststoot. 77. Naar voren en de omtrek van de mussestaart tekenen. 78. Enkele zweep. 79. Wolkenhanden. 80. Enkele zweep.

Deel 6

81. Van boven verkennen (links). 82. Met de handpalm naar voren. 83. Eén handige lotus. 84. Strijk langs de knie. 85. Naar voren en vuiststoot naar het kruis. 86. Naar voren en de omtrek van de mussestaart tekenen. 87. Enkele zweep. 88. Lage houding. 89. Naar voren en de zeven sterren. 90. Terug om de tijger te berijden. 91. Draai en met de handpalm naar voren vallen. 92. Draai en tweehandige lotus. 93. Span de boog en schiet op de tijger. 94. Van boven verkennen (links). 95. Met de handpalm naar voren. 96. Draai en verborgen vuistslag. 97. Naar voren en van boven verkennen (links). 98. Naar voren en de omtrek van de mussestaart tekenen. 99. Enkele zweep. 100. Afsluiting.

Lange vorm in Pin Yin

Lange vorm in het Nederlands

Lange vorm deel 1

Lange vorm deel 1 & 2

Lange vorm deel 3

Lange vorm deel 4

Lange vorm deel 3 & 4

Lange vorm Wu Yinghua

Lange vorm Rotterdam

Lange vorm Ma Hailong

In de Wu stijl Tài Jì Quán wordt tot op heden een omvangrijke

 verzameling aan vormen (hand-, sabel-, lans-, zwaard-

en partner-vormen) uitgeoefend.

Vormen

© 2024 | Jian Aan Zee - Stilte in Beweging en Beweging in Stilte |   Disclaimer
Zhang Sanfeng

Wu stijl Tài Jì Quán 

In de Wu stijl Tài Jì Quán wordt tot op heden

een omvangrijke verzameling aan vormen

(hand-, sabel-, lans-, zwaard-en

partner-vormen) uitgeoefend.

Voor 1912 bestond er als handvorm alleen de snelle vorm. Na 1912 kwamen er veel mensen naar Beijing om tàijì te leren. Enkele van hen waren oud of hadden weinig ervaring met de vechtkunst. Met het oog op deze mensen werden uit de snelle vorm de sprongen verwijderd en de bewegingen vereenvoudigd, maar ook nauwkeuriger gemaakt. Het tempo werd in overeenstemming met de Yin Yang theorie vertraagd. Dit leidde tot de geboorte van de Wu stijl met een lange vorm waarin de speciale karakteristieken van de Wu stijl nog benadrukt werden. Ongeveer in dezelfde tijd stichtte ook Yang Chengfu en Sun Lutang hun eigen stijl met elk een eigen langzame vorm. De Wu stijl behield de oorspronkelijke snelle vorm, die in opbouw en volgorde van de bewegingen van de lange (langzame) vorm tot op heden vergelijkbaar is. Het is echter van groot belang om eerst de langzame vorm te leren, omdat men anders gemakkelijk in de hardheid van de externe vechtkunst kan afglijden.
De langzame vorm van de Wu stijl is van oorsprong zeer compact, natuurlijk, ontspannen, langzaam en ononderbroken, levendig, vloeiend, zacht en evenwichtig. De wapenvormen ondersteunen deze kwaliteiten, maar worden in de regel sneller uitgevoerd. In alle vormen moeten beginners eerst de verschillende posities en bewegingen leren. Daarbij moeten de bewegingen soepel blijven en de adem natuurlijk zijn. De adem moet een bepaalde diepte en breedte hebben, waardoor het hele lichaam zich ermee kan vullen en daardoor goed verzorgd is. Daarbij is het belangrijk dat de lichaamshouding voldoet aan de principes van de tàijì, dat wil zeggen het hoofd opgericht, een rechte rug, schouders laten zakken en ellebogen naar beneden laten hangen en ook het bekken ontspannen.
Aan de buitenkant ziet men een rustige aan elkaar gekoppelde reeks van meestal langzame en gracieus uitziende bewegingen. Dat is wat men bij tàijì de vorm noemt. Een vorm bestaat uit een aantal houdingen die onderling met elkaar in verband staan, zodat er een doorgaande reeks bewegingen ontstaat.

Men kan dit vergelijken met een

landkaart. 

De wegen staan voor de onderling verbonden bewegingen en de

plaatsen waar men doorheen komt zijn de houdingen of standen.

De standen dragen de naam van de daarmee corresponderende

techniek zoals stoten en afweren of schilderachtige namen als

“Gouden haan staat op een been”, ”wolkenhanden”, “speel de luit”

of de “witte kraanvogel spreidt zijn vleugels” enzovoort.

Deze namen bevatten geen verborgen betekenis maar hebben

meer een praktische waarde als onderscheid tussen de houdingen.

De betekenis van het woord Yi (geest) die in de klassieken voorkomt, wordt in de Wu stijl samengevat door de vijf volgende principes. Jing (stil), Qing (lichtheid), Man (langzaam), Qie (plichtsgetrouw) en Heng (uithoudingsvermogen), deze principes zijn nauw met elkaar verbonden, complementeren elkaar en kunnen niet zonder elkaar. 1. De geest moet ontspannen en de ademhaling kalm en gelijkmatig zijn. 2. De bewegingen van de vorm moeten langzaam, natuurlijk en ook heel precies uitgevoerd worden. 3. De bewegingen moeten doorleefd (wakker) en vloeiend zijn. Ze moeten elkaar opvolgen zonder onderbreking, of je nu voor of  achterwaarts beweegt of draait. 4. Enkel met een correcte houding van het lichaam kunnen de bewegingen en de ademhaling in harmonie komen. Gedurende elke beweging moet het staartbeen, de wervelkolom, de nek en het hoofd in een lijn zijn. Deze lijn mag zowel zij- voor- of achterwaarts geen enkele kromming vertonen. 5. De ogen zijn naar voren gericht op zo'n 15 m afstand of naar de handen gericht. Alleen als de ogen gericht zijn kan het evenwicht gecentreerd blijven.

Lange vorm

De lange vorm is zeer compact, natuurlijk, ontspannen, langzaam, levendig, ononderbroken, vloeiend en evenwichtig. De bewegingen moeten zonder onderbrekingen in elkaar overgaan, ongeacht of men zich voorwaarts of achterwaarts beweegt. Bij het uitvoeren van de bewegingen word slechts zoveel kracht gebruikt als nodig is. Spanning in bijvoorbeeld de schouders moet worden vermeden.  De ademhaling is natuurlijk, niet bewust gestuurd. In eerste instantie lijken de bewegingen van tàijì vrij simpel, de moeilijkheid zit hem in de precisie van die bewegingen. De handen en voeten moeten exact goed staan en samen met de lichaamshouding voldoen aan de principes van tàijì, zo kunnen de ademhaling en de bewegingen met elkaar harmoniëren. De blik moet op een vast punt gericht zijn, dat is nodig om alle energie goed door het lichaam te laten stromen. Er mogen geen blokkades zijn, bijvoorbeeld doordat een gewricht is gedraaid of omdat er te veel druk staat op een bepaald lichaamsdeel. Het vinden van die juiste balans vergt veel concentratie en bovendien coördinatie. Doordat u tijdens tàijì allerlei bewegingen in een vaste volgorde maakt, traint u uw souplesse en balans. Door de concentratie op de bewegingen raakt het hoofd leeg, waardoor u zich na een uurtje tàijì ontspannen en energiek voelt.

Lange vorm in Pin Yin

Lange vorm in het Nederlands

Lange vorm deel 1

Lange vorm deel 1 & 2

Lange vorm deel 3

Lange vorm deel 4

Lange vorm deel 3 & 4

Lange vorm Wu Yinghua

Lange vorm Rotterdam

Lange vorm Ma Hailong

Vormen

Door de vorm leer je jezelf kennen, door Tui Shou leer

je de ander kennen de sabel bevordert de kracht,

het zwaard de vitaliteit en de lans de wijsheid.

“In elke beweging zal het gehele lichaam licht

en beweeglijk zijn alsof al zijn delen aan

een draad zijn opgehangen.”

De lange vorm is de basis van de Wu stijl Tài Jì Quán .

De bewegingen worden langzaam, in een

gelijkmatig tempo uitgevoerd.

Het doorlopen van de

vorm duurt 25 tot

35 minuten.

Deel 1

1. Voorbereiding. 2. tàijì-startbeweging. 3. De omtrek van de mussenstaart tekenen. 4. Enkele zweep. 5. De hand optillen en naar voren. 6. De kraanvogel laat zijn vleugels glanzen. 7. De knie strijken. 8. De handen spelen op de luit. 9. Naar voren en een rechte vuiststoot. 10. Alsof men zich verstopt. 11. Luipaard en tijger verschuiven de berg. 12. Kruis de handen. 13. De knie strijken (richting 45º). 14. Omdraaien en de knie strijken (richting 45º). 15. De omtrek van de mussenstaart tekenen. 16. Enkele zweep (richting 45º).

Deel 2

17. Verstopte en zichtbare vuist. 18. Bij het teruggaan de aap wegduwen. 19. Voor het optillen. 20. De hand optillen en naar voren. 21. De kraanvogel laat zijn vleugels glanzen. 22. De knie strijken. 23. De naald in de zeebodem steken. 24. De handen en rug waaiervormig. 25. Verborgen vuistslag. 26. Terug en een rechte vuistslag. 27. Naar voren met “mussenstaart’’. 28. Enkele zweep. 29. Wolkenhanden. 30. Enkele zweep.

Deel 3

31. Van boven verkennen (links). 32. Voettrap met rechts. 33. Van boven verkennen (rechts). 34. Voettrap met links. 35. Draaiing en trap met de hak. 36. De knie strijken. 37. Stap naar voren en hamerslag. 38. Omdraaien en verborgen vuistslag. 39. Naar voren en van boven verkennen (links). 40. Voettrap met rechts. 41. Stap terug en versla de tijger 42. Draaitrap. 43. Met de vuistknokkels de oren treffen. 44. 2 trappen: eerste trap. 45. Tweede trap. 46. Van boven verkennen. 47. Stap naar voren en een rechte vuiststoot. 48. Alsof men zich verstopt. 49. Luipaard en tijger verschuiven de berg. 50. Kruis de handen. 51. De knie strijken (richting 45º). 52. Omdraaien en de knie strijken (richting 45º). 53. De omtrek van de mussenstaart tekenen. 54. Enkele zweep (richting 45º).

Deel 4

55. Het wildpaard schudt zijn manen (3 keer). 56. Het wildpaard schudt zijn manen (zijwaarts). 57. Stap naar voren, de mooie dame weeft met de schietspoel (links). 58. Omdraaien,de mooie dame weeft met de schietspoel (rechts). 59. Het wildpaard schudt zijn manen (zijwaarts). 60. Stap naar voren, de mooie dame weeft met de schietspoel (links). 61. Omdraaien de mooie dame weeft met de schietspoel (rechts). 62. De omtrek van de mussenstaart tekenen. 63. Enkele zweep. 64. Wolkenhanden. 65. Enkele zweep.

Deel 5

66. Lage houding. 67. De gouden haan staat op één been (links en rechts). 68. Bij het teruggaan de apen verjagen. 69. Schuin vliegen. 70. Til de hand op en naar voren. 71. De kraanvogel laat de vleugels glanzen. 72. Strijk langs de knie. 73. Naald in de zeebodem steken. 74. Handen en rug als een waaier. 75. Verborgen vuistslag. 76. Naar voren en rechte vuiststoot. 77. Naar voren en de omtrek van de mussestaart tekenen. 78. Enkele zweep. 79. Wolkenhanden. 80. Enkele zweep.

Deel 6

81. Van boven verkennen (links). 82. Met de handpalm naar voren. 83. Eén handige lotus. 84. Strijk langs de knie. 85. Naar voren en vuiststoot naar het kruis. 86. Naar voren en de omtrek van de mussestaart tekenen. 87. Enkele zweep. 88. Lage houding. 89. Naar voren en de zeven sterren. 90. Terug om de tijger te berijden. 91. Draai en met de handpalm naar voren vallen. 92. Draai en tweehandige lotus. 93. Span de boog en schiet op de tijger. 94. Van boven verkennen (links). 95. Met de handpalm naar voren. 96. Draai en verborgen vuistslag. 97. Naar voren en van boven verkennen (links). 98. Naar voren en de omtrek van de mussestaart tekenen. 99. Enkele zweep. 100. Afsluiting.

Di Yi Jie

1. Yù bèi shi. 2. Tài jí qǐ shì. 3. Lǎn què wěi. 4. Dān biān. 5. Tí Shǒu shàng shì. 6. Bái hè liàng chi. 7. Lóu xī ào bù. 8. Shǒu huī pí pa. 9. Jìn bù bān lán chuí. 10. Rú fēng sì bì. 11. Bào hǔ tuī shān. 12. Shí zí shǒu. 13. Xié lóu xī ào bù. 14. Fān shēn xié lóu xī ào bù. 15. Lǎn què wěi. 16. Xié dān biān.

Di Er Jie

17. Zhǒu dǐ kàn chuí. 18. Dào niǎn hóu. 19. Xié fēi shì. 20. Tíe shǒu shàng shì. 21. Bài hè liàng chì. 22. Lóu xī ào bù. 23. Hǎi di zhēn. 24. Shàn tōng bèi. 25. Piē shēn chuí. 26. Xie bù bàn làn chuí. 27. Shàng bù lǎn què wěi. 28. Dān biān. 29. Yún shǒu. 30. Dān biān.

Di San Jie

31. Zuǒ gāo tàn mǎ. 32. Yùo fēn jiǎo. 33. Yòu gāo tàn mǎ. 34. Zuǒ fēn jiǎo. 35. Zhuǎn shēn dēng jiǎo. 36. Lóu xī ào bù. 37. Jìn bù zāi chuí. 38. Fān shēn piē shēn chuí. 39. Shàng bù (zuǒ) gāo tàn mǎ. 40. Yùo fēn jiǎo. 41. Tuì bù dǎ hǔ. 42. Pī shēn jiǎo. 43. Shuāng fēng guàn ěr. 44. Yi qǐ jiǎo. 45. Fān shēn èr qiǎo. 46. (Yòu) gāo tàn mǎ. 47. Shàng bù bān lán chuí. 48. Rú fēng sì bì. 49. bào hǔ tuī shān. 50. Shï zi shǒu. 51. Xié lóu xī ào bù. 52. Fān shēn xié lóu xī ào bù. 53. Lǎn què wěi. 54. Xié Dān biān.

Di Si Jie

55. Yié mǎ fēn zōng. 56. Shí zi yié mǎ fēn zōng. 57. Shàng bù zuǒ yù nǚ chuān suō. 58. Zhuǎn shēn yòu yù nǚ chuān suō. 59. Shí zi yié mǎ fēn zōng. 60. Shàng bù zuǒ yù nǚ chuān suō. 61. Zhuǎn shēn yòu yù nǚ chuān suō. 62. Lǎn què wěi. 63. Dān biān. 64. Yún shǒu. 65. Dān biān.

dì wǔ jié

66. xià shì. 67. zuǒ yòu jīn jī dú lì. 68. dào niǎn hóu. 69. xié fēi shì. 70. tí shǒu shàng shì. 71. bái hè liàng chì. 72. lóu xī ào bù. 73. hǎi dǐ zhēn. 74. shàn tōng bèi. 75. piē shēn chuí. 76. shàng bù bān lán chuí. 77. shàng shì lǎn què wěi. 78. dān biān. 79. yún shǒu. 80. dān biān.

dì lìu jié

81. zuǒ gāo tàn mǎ. 82. yíng miàn zhǎng. 83. shí zi bǎi lián. 84. lóu xī ào bù. 85. jìn bù zhǐ dāng chuí. 86. shàng bù lǎn què wěi. 87. dān biān. 88. xià shì. 89. shàng bù qī xīng. 90. tuì bù kuà hǔ. 91. zhuǎn shēn pū miàn zhǎng. 92. fān shēn shuāng bǎi lián. 93. wān gōng shè hǔ. 94. zuǒ gāo tàn mǎ. 95. yíng miàn zhǎng. 96 fān shēn piē shēn chuí. 97. shàng bù zuǒ gāo tàn mǎ. 98. jìn bù lǎn què wěi. 99. dān biān. 100. hé tài jí.
© 2024 | Jian Aan Zee   Stilte in Beweging en Beweging in Stilte  Disclaimer

Wu stijl Tài Jì Quán 

Zhang Sanfeng
Jian Aan Zee